Het standpunt van de RSZ omtrent de mate waarin een werknemer die een laptop, smartphone of bedrijfswagen overkoopt aan een fractie van de prijs steeds een voordeel in natura realiseert, waarop RSZ-bijdragen zijn verschuldigd

Het standpunt van de RSZ omtrent de mate waarin een werknemer die een laptop, smartphone of bedrijfswagen overkoopt aan een fractie van de prijs steeds een voordeel in natura realiseert, waarop RSZ-bijdragen zijn verschuldigd
In een individueel standpunt van 5 februari 2025 heeft de RSZ een aantal belangrijke verduidelijkingen gebracht omtrent het realiseren van een voordeel waarop RSZ is verschuldigd, wanneer de werknemer een laptop, smartphone of bedrijfswagen overkoopt aan een fractie van de prijs. Nieuw is de positie van de RSZ allerminst. Voor de praktijk zal het nieuwe standpunt geen al te grote implicaties met zich meebrengen.

Wil je de punten in de detail nog even nalezen die we met de RSZ hebben afgetoetst, dan kan je onze blog daaromtrent erop naslaan.

Kort toch nog even de toedracht schetsen.

Wanneer de werknemer een voordeel in natura realiseert, dan zijn RSZ-bijdragen verschuldigd op het voordeel in natura. Dat voordeel moet geraamd worden op basis van de courante marktwaarde, zijnde de prijs die de werknemer in de winkel zou betalen - of in dit geval, op de tweedehandsmarkt.

Een werknemer die een voordeel in natura overneemt van de werkgever aan een prijs die onder de courante marktwaarde ligt, realiseert een voordeel in natura.

Dat is letterlijk wat het RSZ-besluit al jaar en dag stipuleert (zie art. 20, § 1 RSZ-besluit).

Dit maakt nu net voor het eerst het voorwerp uit van de meest recente administratieve instructies van de RSZ (Q4/2024).

Hoe nieuw is het standpunt van de RSZ dan?

Uit haar individueel standpunt blijkt dat het standpunt van de RSZ in de administratieve instructies helemaal niet nieuw is.

Maar dat betekent niet per se dat de ‘nieuwe’ administratieve instructie geen onbedoelde gevolgen kan hebben. Vandaar de vervolgvragen en -antwoorden om daar toch de nodige klaarheid in te scheppen.

Waarom doet de RSZ dit nú?

Volgens ons is de opname van het standpunt van de RSZ in de administratieve instructies te wijten aan een praktijk (veelal in het kader van een cafetariaplan), waarbij de effectieve eigendomsoverdracht van smartphones, laptops, etc. pas op termijn gebeurt om de RSZ-bijdragen te omzeilen.

Stel dat een werknemer via het cafetariaplan een smartphone kan ‘kopen’ door daarvoor een deel van het brutoloon in te ruilen. De kost van de smartphone wordt verrekend op de loonkost, waardoor dit een voordelige operatie is voor de werknemer en de kost/netto-ratio verhoogt. Wil je weten hoe dat mechanisme (’salary packaging’ genaamd) werkt, dan kan je daar onze blog 'Salary packaging: de loonkost optimaliseren via voordelen in natura' op nalezen.

De werknemer zal de smartphone niet onmiddellijk in eigendom verwerven.

Waarom niet?

Omdat enkel de terbeschikkingstelling van een smartphone onder de forfaitaire waardering valt, niet de eigendomsoverdracht. Met andere woorden, bij eigendomsoverdracht moet de smartphone gewaardeerd worden aan de courante marktwaarde. Op die waarde zal men vervolgens RSZ-bijdragen moeten betalen. Lees: dan kan men evengoed het brutoloon in geld uitbetalen.

Om dat te omzeilen stellen werkgevers gedurende de afschrijvingstermijn de smartphone ter beschikking van de werknemer. Het voordeel waarop RSZ-bijdragen en bedrijfsvoorheffing worden berekend, bedraagt amper 3 EUR per maand. Na de afschrijvingstermijn kunnen de werknemers het  toestel overnemen aan een fractie van de prijs, in vele gevallen zelfs aan boekwaarde 0.

Om die praktijk een halt toe te roepen, heeft de RSZ volgens ons uitdrukkelijk willen stellen in de administratieve instructies dat er bij de overname nog steeds een correcte prijs (de marktwaarde) moet betaald worden. Zo niet, realiseert de werknemer een voordeel in natura, waarop RSZ-bijdragen zijn verschuldigd.

Omtrent de vraag of dit inderdaad de reden is waarom de RSZ dit nu aan haar administratieve instructies heeft toegevoegd, heeft de RSZ geen standpunt ingenomen. Dat is best wel jammer, omdat de RSZ hiermee begrip zou kunnen oogsten bij ieder die hiermee in de praktijk in aanraking komt.

Het gaat om álle voordelen in natura

De RSZ heeft bevestigd - zoals verwacht overigens - dat het standpunt niet beperkt is tot de smartphone, laptop en bedrijfswagen, maar alle mogelijke voordelen in natura omvat die de werknemer kan overnemen van de werkgever aan een fractie van de courante marktwaarde.

Hoe bepaal je de reële restwaarde?

De RSZ stelt in haar individuele standpunt geen welbepaalde sleutelformule voorop.

Meer nog, de RSZ stelt in haar individueel standpunt: “Om de restwaarde te bepalen van een GSM/tablet/PC of bedrijfswagen/fiets kan geen algemene regel bepaald worden. Elk voordeel moet apart bekeken worden naargelang de aard, ouderdom, functies, ... van het toestel of voertuig.”

Het moment waarop dit moet beoordeeld worden, is evident op het ogenblik van de overname door de werknemer.

Is men dan verplicht om, telkens een voordeel in natura in eigendom wordt overgedragen aan de werknemer, de tweedehandsmarkt af te schuimen bij wijze van benchmark?

Volgens ons niet:

  1. Het RSZ-besluit stelt dat men het voordeel in natura moet schatten op basis van de courante marktwaarde. Wat van tel is, is dat de werkgever een redelijke schatting maakt op basis van reële data die voor de RSZ aanvaardbaar is. Die schatting, de methodologie en de context kan men op voorhand uitwerken en in de policy’s of overeenkomsten opnemen.
  2. In dat verband stelt de RSZ dat: “Betaalt de werknemer een bedrag dat duidelijk minder is dan de restwaarde, dan is enkel het verschil onderworpen aan bijdragen.” Belangrijk is de toevoeging van het woord ‘duidelijk’. Hoewel de RSZ dit standpunt heeft ingenomen specifiek in het kader van een leasewagen kan dit volgens ons doorgetrokken worden naar de andere voordelen in natura.

Stel dat je als werkgever hebt bepaald dat een smartphone met een aankoopwaarde van 500 EUR na de afschrijvingstermijn nog 20% van zijn waarde behoudt, zijnde 100 EUR. Die beoordeling heb je gemaakt op basis van reële data.

Wat als blijkt dat die smartphone op het einde van de afschrijvingstermijn en op het moment van de overname door de werknemer een courante marktwaarde heeft van niet 100 EUR, maar van 125 EUR.

Nu, is dat duidelijk minder? Daarover kan gedebatteerd worden. Mogelijks niet en dan zijn er volgens de bewoordingen van het RSZ-besluit geen RSZ-bijdragen verschuldigd. Het voordeel in natura moest geschat worden en dat is ook gebeurd - zij het niet op het ogenblik van het lichten van de aankoopoptie.

Daarnaast moet men zich ook de vraag stellen of de RSZ zich de moeite zal getroosten om een redelijk systeem die de werkgever heeft vastgesteld in vraag te stellen. We denken van niet. De RSZ zou namelijk slechts bijdragen hebben misgelopen ten belope van het verschil van 25 EUR - lees: een luttele 13 EUR (inclusief bijdrageopslagen en verwijlintresten). Dat is helemaal niet de betrachting van de RSZ. Veeleer is het de bedoeling om de flagrante praktijken eruit te halen. En zelfs al zou dat een risico van 13 EUR met zich meebrengen, dan nog is de financiële impact dermate klein dat men zich daar als werkgever niet moet mee bezighouden.

Met andere woorden, de idee die in De Tijd werd geopperd dat werkgevers elke maand drie voordelen in natura (per type voordeel in natura uiteraard) moeten bijeensprokkelen op de tweedehandsmarkt is volstrekt onnodig, administratief niet werkbaar en ook nog eens niet pertinent. Niet pertinent, want de ene Audi A4 zal niet dezelfde waarde op de tweedehandsmarkt hebben als de andere Audi A4, aangezien de staat, kilometerstand, … bepalend zijn voor de waarde.

En dan moeten we ook nog vaststellen dat de ganse polemiek niet van toepassing is op de aankoopoptie voor bedrijfswagens die geleaset worden, waardoor de impact in de praktijk beperkt zal zijn 👇

De prijs van de aankoopoptie in een leasecontract stemt overeen met de courante marktwaarde

De RSZ gaat niet zover om de redenering te bevestigen dat het voordeel ingevolge het lichten van de aankoopoptie van een leasecontract, geen loon is waarop RSZ-bijdragen zijn verschuldigd. Wil je onze volledige redering erop nalezen, ga dan naar onze blog daaromtrent.

Wél stelt de RSZ dat de vooraf vastgestelde prijs van de aankoopoptie overeenstemt met de courante marktwaarde. En wanneer de werknemer de courante marktwaarde betaalt, is er geen voordeel in natura en zijn er dus ook geen RSZ-bijdragen verschuldigd.

Welke piste ook gevolgd wordt, het resultaat is hetzelfde. Op het eventuele voordeel van het lichten van aankoopoptie zijn geen RSZ-bijdragen verschuldigd.

Uiteraard, stel dat de werkgever in de prijs van de aankoopoptie zou tussenkomen in het voordeel van de werknemer, zal er evident wél een voordeel in natura zijn waarop RSZ-bijdragen zijn verschuldigd. In de praktijk lijkt dit toch eerder uitzondering dan de regel te zijn.

Welke actie moet je nu ondernemen?

Eerst en vooral, van RSZ-bijdragen op het voordeel van aankoopopties in leasecontracten moet je als werkgever helemaal niet wakker liggen. Er zijn er geen, tenzij je als werkgever zou tussenkomen in de aankoopoptieprijs natuurlijk.

Kunnen werknemers voordelen in natura op het einde van de afschrijvingstermijn of bij uitdiensttreding overnemen, dan zijn er twee opties.

Optie 1: in jouw beleid vraag je nu al een redelijke prijs die overeenstemt met de courante marktwaarde

Je hoeft je geen zorgen te maken, er is geen voordeel en bijgevolg zijn er geen RSZ-bijdragen verschuldigd.

Eventueel zorg je nog voor de nodige onderbouw en een aanvaardbare methodologie.

Tot slot kan je eventueel ook nog voorzien in een jaarlijkse revisie van de aankoopoptieprijzen. Dit draagt enkel maar bij tot de redelijkheid en aanvaardbaarheid van jouw beleid voor de RSZ.

Optie 2: op het einde van de afschrijvingstermijn kunnen werknemers voordelen overnemen aan boekwaarde 0 of aan een fractie van de courante marktwaarde

In dat geval onderneem je best de nodige stappen.

Herzie jouw beleid en stipuleer een redelijke aankoopoptieprijs die gebaseerd is op reële data en waarbij de methodologie steekhoudt. Policy’s kan je weliswaar eenzijdig wijzigen, maar ga daarbij voorzichtig te werk. Voor overeenkomsten heeft dit wel wat meer voeten in de aarde, want die kan je namelijk niet eenzijdig wijzigen.

Tot slot kan je in jouw beleid ook opnemen dat je de aankoopoptieprijzen eenmaal per jaar reviseert. Dit draagt enkel maar bij tot de redelijkheid en aanvaardbaarheid van jouw beleid voor de RSZ.

Op de hoogte blijven?

Dank je wel! We hebben jouw bericht goed ontvangen!
Oops! Something went wrong while submitting the form.