Realiseert een werknemer die een laptop, smartphone of bedrijfswagen overkoopt aan een fractie van de prijs steeds een voordeel in natura, waarop RSZ-bijdragen zijn verschuldigd?

Realiseert een werknemer die een laptop, smartphone of bedrijfswagen overkoopt aan een fractie van de prijs steeds een voordeel in natura, waarop RSZ-bijdragen zijn verschuldigd?
De RSZ heeft recent verduidelijkt dat wanneer werknemers bedrijfsmateriaal (zoals laptops, smartphones of bedrijfswagens) overnemen voor minder dan de courante marktwaarde, er RSZ-bijdragen verschuldigd zijn op het verschil. Dit standpunt is eigenlijk niet nieuw - het vloeit voort uit artikel 20 van het RSZ-besluit - maar wordt nu explicieter gecommuniceerd, waarschijnlijk vanwege de toegenomen praktijk bij cafetariaplannen. Belangrijk: dit geldt niet voor materiaal met een leasecontract waarin een aankoopoptie is opgenomen. Wij zijn momenteel in overleg met de RSZ om verschillende aspecten hiervan verder te verduidelijken.

Opgelet! Deze blog post werd geüpdatet op 10/02/2025 in functie van het individuele standpunt van de RSZ dat we ontvingen op 05/02/2025.


In de laatste administratieve instructies van de RSZ (https://www.socialsecurity.be/employer/instructions/dmfa/nl/latest/instructions/salary/particularcases/advantages_in_kind.html#heading-2) is voor het eerst opgenomen dat werknemers die de afgeschreven laptop of smartphone kosteloos of tegen een fractie van de waarde kunnen overnemen, een voordeel in natura doet ontstaan.

Op dat voordeel in natura - namelijk het verschil tussen de koopprijs en de courante marktwaarde - zijn zowel werkgevers- als werknemersbijdragen voor RSZ verschuldigd.

Worden geen RSZ-bijdragen betaald resp. ingehouden door de werkgever, dan is het de werkgever die instaat voor de totaliteit van de achterstallige RSZ-bijdragen met daarbovenop verwijlintresten en bijdrageopslagen. De werkgever kan zelfs de werknemersbijdragen niet terugvorderen van de werknemers, tenzij de betrokken werknemers vrijwillig daartoe bereid zijn om de niet-ingehouden werknemersbijdragen terug te betalen.

Hier is toch enige consternatie rond ontstaat op sociale media. En ook De Tijd achtte dit toch nieuwswaardig.

In deze blog post gaan we hier dieper op in en bekijken we wat de impact is voor jouw HR- en loonbeleid en compliance.

Het standpunt van de RSZ omtrent de vragen hieronder verneem je in deze blog.

Hoe nieuw is het standpunt van de RSZ eigenlijk?

Eigenlijk is dit helemaal niet nieuw. Voordelen in natura moeten gewaardeerd worden op hun courante waarde, dat leest men in artikel 20, § 1 van het RSZ-besluit.

Bij wijze van uitzondering worden een aantal voordelen in natura forfaitair gewaardeerd (zie art. 20, § 2 RSZ-besluit).  Het gaat daarbij om:

  • maaltijden;
  • inwoning;
  • de terbeschikkingstelling van een smartphone;
  • de terbeschikkingstelling van een (mobiel) telefonie-abonnement;
  • de terbeschikkingstelling van een laptop of pc;
  • de terbeschikkingstelling van een tablet pc; en
  • de terbeschikkingstelling van internet (thuis).

Met andere woorden, komt het voordeel in natura niet voor in de limitatieve opsommig hierboven, dan moeten we het voordeel in natura waarderen op de courante waarde. Die courante waarde is gelijk aan de prijs die de werknemer in de winkel zou betaald hebben.

Stel dat een werknemer een smartphone, laptop of bedrijfswagen kan overnemen zonder daarvoor een prijs te betalen die gelijk is aan die courante waarde, dan realiseert de werknemer een voordeel (in natura). Daarop zijn RSZ-bijdragen verschuldigd.

Dat is trouwens ook steeds het standpunt van de RSZ geweest, die niet anders kan dan het RSZ-besluit toe te passen. In een recent standpunt heeft de RSZ dit ook bevestigd. Meer weten? Lees onze blog daaromtrent erop na.

Hoewel hier enige consternatie rond is ontstaan op sociale media en hoewel De Tijd dit überhaupt nieuwswaardig acht, is hier helemaal niets nieuw aan.

Nu, de aandachtige lezer zal tegenwerpen dat de RSZ in het verleden wel heeft aanvaard dat de overname van de leasewagen bij het einde van de leasetermijn aan een restwaarde van 16% vrij is van RSZ, ook al is die restwaarde lager dan de courante marktwaarde. Is het standpunt van de RSZ dan toch niet gewijzigd? Volgens mij niet. Leasewagens met een aankoopoptie vallen niet onder het regime. Waarom dat zo is, dat lees je verderop in deze blog post. In elk geval zijn we hieromtrent in overleg met de RSZ om dit helemaal uit te klaren. In een recent standpunt heeft de RSZ een en ander in dit verband verduidelijkt. Meer weten? Lees onze blog daaromtrent erop na.

Waarom doet de RSZ dit nu?

Nu, als het allemaal niet nieuw is, waarom getroost de RSZ zich dan de moeite om de administratieve instructies aan te passen?

Wel, wat volgens mij een doorn in het oog is van de RSZ en er ongetwijfeld de RSZ toe heeft genoopt dit in de administratieve instructies op te nemen, is dat veel policy’s bepalen dat werknemers die de laptop  of smartphone overnemen aan het eind van de afschrijvingstermijn daar helemaal niets voor hoeven te betalen.

Ook dat is op zich geen recent fenomeen. Wat wél een recent fenomeen is, is de schaal waarop dit wordt gedaan. Dat is wellicht te wijten aan de forse toename van het aantal cafetariaplannen over de laatste jaren, waarbij vaak wordt voorzien dat men aan het eind van de afschrijvingstermijn eigenaar wordt van het toestel zonder daarvoor iets te moeten betalen.

Providers van cafetariaplannen en werkgevers gaan er daarbij ten onrechte vanuit dat het volstaat dat de laptop resp. smartphone is gefinancierd via het brutoloon die de werknemer ervoor heeft ingeruild en dat de boekwaarde op dat moment gelijk is aan 0. Helaas voor zowel werkgever als werknemer houdt deze redenering geen steek.

Waarom wordt het zo georkestreerd dat men als werkgever eerst het voordeel ter beschikking gesteld krijgt en pas na verloop van tijd men eigenaar wordt? Wel lopende de terbeschikkingstelling van het voordeel betaalt men slechts RSZ-bijdragen en bedrijfsvoorheffing op een (laag) forfaitair bruto voordeel en bij de eigendomsoverdracht niets meer (dit laatste is, zoals eerder gesteld, onterecht). Stel dat men onmiddellijk eigenaar zou worden van het voordeel, dan zou men bedrijfsvoorheffing en RSZ-bijdragen moeten betalen op de courante marktwaarde van het voordeel. De forfaitaire waardering van het voordeel is enkel van toepassing op de terbeschikkingstelling ervan door de werkgever, waarbij deze laatste de eigenaar blijft.

Voor de volledigheid, ook een derde partij kan eigenaar zijn, maar hier gaan we niet verder op in om het niet te complex te maken.

Kortom, op die manier worden werknemers na verloop van tijd tóch eigenaar van het voordeel in natura, maar waarbij er slechts (beperkte) RSZ-bijdragen zijn verschuldigd lopende de terbeschikkingstelling ervan en niet op het voordeel ingevolge de eigendomsoverdracht. De verkoopprijs waarderen op 0 (aan boekwaarde) is evident in strijd met art. 20, § 1 RSZ-besluit dat stelt dat voordelen in natura, behoudens degene die forfaitair worden gewaardeerd, moeten gewaardeerd worden op de courante marktwaarde.

De nieuwe administratieve instructie is volgens ons bedoeld om dergelijke praktijken die almaar meer worden toegepast te beteugelen en daar klaarheid in te scheppen.

De RSZ creëert geen draagvlak

Het is nochtans gissen naar de exacte beweegreden(en) van de RSZ. Dat is bijzonder jammer. Door het gebrek aan communicatie omtrent het waarom van deze update van de administratieve instructies, laat de RSZ na om draagvlak te creëren en om de nodige nuance te leggen omtrent het administratieve standpunt.

Menig werkgever en werknemer schiet daardoor - eigenlijk ten onrechte - in een tegenreactie. Ook experts hebben het er raden naar - zij het dat om een educated guess gaat.

In elk geval zijn we met de RSZ in overleg om de precieze motieven te weten te komen. Het had de RSZ nochtans gesierd om dit proactief mee te geven.

In haar individuele standpunt heeft de RSZ dit ontkend noch bevestigd. Meer weten? Lees onze blog erop na.

Om welke voordelen in natura gaat het?

Ook om welke voordelen in natura het gaat, zou twijfel kunnen rijzen. In de administratieve instructie wordt enkel gewag gemaakt van een gsm, laptop of bedrijfswagen.

Op basis van artikel 20 van het RSZ-besluit is deze lijst nochtans niet limitatief. Elk mogelijk voordeel in natura (bedrijfsfiets, tablet PC, …) valt hieronder.

De RSZ heeft dit in een individueel standpunt bevestigd. Meer weten? Lees onze blog erop na.

Hoe bepaal je de reële restwaarde?

Volgens de algemene instructies is “de reële restwaarde […] de waarde die de gsm, laptop of bedrijfswagen [heeft] op het moment van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de tweedehandsmarkt […].”

In theorie klopt dat. Maar in de praktijk is dit minder evident. De tweedehandsmarkt kenmerkt zich enerzijds door een sterke variantie op de vraagprijs. Anderzijds is de vraagprijs niet per se hetzelfde als de uiteindelijke koopprijs. Die uiteindelijke koopprijs is de courante waarde, niet de initiële vraagprijs van de verkoper - maar die kan je in ons geval eigenlijk niet te weten komen.

Volstaat het dan voor de RSZ dat een laptop, smartphone, bedrijfswagen, … wordt gevonden met een welbepaalde vraagprijs? Of moet men als werkgever verschillende vraagprijzen verzamelen? Dat lijkt ons in de praktijk eerlijk gezegd moeilijk werkbaar voor werkgevers. Want bijvoorbeeld elke bedrijfswagen heeft andere kenmerken (kilometerstand, staat, …) die aanleiding zullen geven tot andere (vraag)prijzen. Eenmaal per maand drie bedrijfswagens opzoeken, is dus een schromelijke onderschatting van het opzoekwerk dat men zou moeten verrichten.

Zou het voor de RSZ volstaan, uiteraard voor zover dit volgens redelijke maatstaven gebeurt, om op basis van een sleutelformule (desgevallend rekening houdend met de statistische impact van welbepaalde variabelen) de restwaarde van een welbepaald voordeel in natura op voorhand te bepalen?

Dat zijn allemaal vragen waaromtrent we op dit ogenblik in overleg zijn met de RSZ.

Inmiddels heeft de RSZ hier standpunt rond ingenomen. Meer weten? Lees onze blog erop na.

Wat met aankoopoptie in leasecontracten?

Leasecontracten die in een aankoopoptie voorzien voor de werknemer om de bedrijfswagen bij het einde van de leasetermijn over te nemen, stellen op voorhand een restwaarde vast van minstens 16%.

Nu, het leasecontract wordt gesloten tussen een leasemaatschappij en de werkgever. Het beding waarbij de werknemer de wagen op het einde van de leasetermijn kan overnemen tegen een vooraf bepaalde restwaarde moet als een beding ten gunste van een derde worden beschouwd (de werknemer is immers een derde ten aanzien van het leasecontract).

Stel dat de courante marktwaarde - met name de reële restwaarde van de bedrijfswagen op de tweedehandsmarkt - hoger ligt dan de vooraf bepaalde prijs van de optie, dan realiseert de werknemer daarbij een voordeel in natura of - in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet - een in geld waardeerbaar voordeel.

Nu, opdat RSZ-bijdragen überhaupt verschuldigd zijn moet het loon voldoen aan alle voorwaarden van artikel 2, lid 1, 3° Loonbeschermingswet.

Het klopt dat het om (a) een in geld waardeerbaar voordeel gaat (b) waarop de werknemer recht heeft (c) ingevolge zijn dienstbetrekking.

De vraag stelt zich in het bijzonder of de werknemer desgevallend recht heeft om de optie te lichten ten laste van de werkgever.

In de rechtspraak gaat men ervan uit dat het loon juridisch dan wel financieel ten laste moet vallen van de werkgever.

  • Het voordeel in natura komt in elk geval juridisch niet ten laste van de werkgever. Overeenkomstig art. 5.107 Burgerlijk Wetboek doet het derdenbeding onmiddellijk (enkel) een rechtstreeks recht ontstaan tegen de belover, zijnde de leasemaatschappij. De rechten van de partijen bij het leasecontract worden niet geaffecteerd. De werknemer kan de werkgever dus niet aanspreken bij de uitoefening van de optie.
  • Ook financieel valt het voordeel niet ten laste van de werkgever. Stel dat de werknemer een voordeel realiseert bij het lichten van de optie (doordat de optieprijs lager is dan de courante marktwaarde van de betrokken wagen), dan is dat lastens de leasemaatschappij die meer voor de wagen had kunnen krijgen en niet lastens de werkgever.

We moeten dan ook vaststellen dat het realiseren van een voordeel (in natura) door de werknemer bij het lichten van de optie uit het leasecontract, niet voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 Loonbeschermingswet.

Bijgevolg kan er geen RSZ verschuldigd zijn ingevolge het lichten van de koopoptie door de werknemer ten aanzien van de leasemaatschappij. Hetzelfde geldt voor laptops, smartphones, … die geleaset worden en die in een aankoopoptie voorzien.

Een voordeel dat onderworpen is aan RSZ-bijdragen kan volgens ons dus enkel ontstaan in de mate dat het voordeel in natura het voorwerp uitmaakt van een eigendomsoverdracht tussen de werkgever en de werknemer, of minstens waarbij de werknemer de werkgever daarop kan aanspreken.

Volgens ons is dát net de ratio van de nieuwe administratieve instructie, namelijk dat de praktijk waarbij een al te voordelige eigendomsoverdracht tussen de werkgever en de werknemer plaatsvindt, wordt beteugeld.

Alle voordelen die geleaset worden en waarbij het leasecontract in een aankoopoptie voorziet, vallen dus buiten het toepassingsgebied van dit administratieve standpunt van de RSZ. Naast bedrijfswagens vallen ook laptops, smartphones en fietsen die geleaset worden daar dus ook buiten.

Ook hieromtrent zijn we op dit ogenblik in overleg met de RSZ om hier klaarheid in te scheppen.

De RSZ heeft hier inmiddels standpunt rond ingenomen. Hoewel de RSZ niet zover gaat om de redenering te bevestigen, komt zij wel tot dezelfde conclusie dat er geen RSZ-bijdragen verschuldigd zijn ook al is de aankoopoptieprijs voordelig voor de werknemer. Meer weten? Lees onze blog erop na.

Op de hoogte blijven?

Dank je wel! We hebben jouw bericht goed ontvangen!
Oops! Something went wrong while submitting the form.